We ontmoeten Hugo Broos tussen een aantal reizen naar Kameroen in.  Na het winnen van de Africa Cup is Hugo plots hot geworden en wordt hij geprezen. Maar als speler (4 keer kampioen, waarvan 1 keer met Club. 5 maal de beker van België, ook 1 voor Club, 3 Europese bekers) en als trainer (3 titels en 2 bekers, waarvan van elk 2 met Club, 4x verkozen als trainer van het jaar) heeft hij al eerder heel wat prijzen gewonnen.

Hugo, je hebt al zo vaak een prijs gepakt. Bestaat er zoiets als een recept voor succes?

Een recept. Nee, dat is er niet. Je start wel een seizoen met als doel om prijzen te pakken. Daarna hangt het in grote mate af welke sfeer je in de groep kan brengen. Zit de relatie tussen de spelers onderling en tussen de spelers en de trainer goed, dan kom je heel ver. Kijk naar Club vorig seizoen. Er heerste een heel serene sfeer. Iedereen binnen Club, van de trainer tot de materiaalman, zat op 1 lijn.

Ik zou het dus eerder omgekeerd stellen. Er bestaat een recept om een titel te missen. En dat is als de groep uitgeblust geraakt, als er kliekjes in de spelersgroep ontstaan. Als randzaken belangrijk worden.

Als trainer moet je dus heel gevoelig zijn voor die dynamiek. Ik heb het voordeel dat ik bij topploegen heb gespeeld en dat ik goed aanvoel wat belangrijk is en wat ik kan laten passeren. Bij een topploeg gebeurt er tijdens het seizoen altijd wel iets. Je moet leren op wat je je moet focussen en wat je kan laten gebeuren.

Toen ik als speler bij Club aankwam, was ik wel verrast. Er heerste een andere ambitie dan ik gewoon was bij Anderlecht. De titel op zich was geen doel. Europees halen was voldoende. Ik heb toen toch een gesprek gehad met de voorzitter, om te stellen dat voor een ploeg als Club Brugge het halen van een titel elke keer de ambitie zou moeten zijn. Dat betekent niet dat je elke keer kampioen moet en zal worden. Maar je moet daar wel elke keer vol voor gaan.

 

Hoe ben je precies bij Club terecht gekomen?

Ik speelde al ruim 10 jaar voor Anderlecht en stilaan kwam ik daar vaker dan me lief was op de bank terecht. Aangezien ik wilde spelen, stond ik open voor een nieuwe uitdaging. Ik was reeds 31 jaar en had verwacht om een stap terug te moeten zetten. Maar plots kwam Club op de proppen, en toen moest ik echt niet lang nadenken. Op dat moment waren Gilles Van Binst en Georg Kessler actief bij Club. Ze kenden me nog van bij Anderlecht.

 

Hoe groot was de overstap van Anderlecht naar Club?

Wat meteen opviel was de andere sfeer die er in en rond de kleedkamer hing. Ik weet nog dat ik de eerste weken thuis kwam en mijn vrouw vroeg “Waar ben ik terecht gekomen?”.

Ik heb toen veel gehad aan mijn oude vriend Jos Volders, die ik nog kende van bij Anderlecht en die op 500 meter van me woonde. Hij stond de eerste dagen spontaan aan mijn deur om te zien of hij met iets kon helpen.

Ik kwam van een ploeg waar de titel en de beker winnen een minimaal doel was. Waar zowel de club als de fans hun vedetten hadden en de rest daar in de schaduw van stond.

Bij Club was alles veel gemoedelijker. Het leek wel een vriendenclub. Bij Club gedroeg Jan Ceulemans zich niet als de grote ster, maar was hij een gewone jongen. Hij hielp me meteen om mijn plaats te vinden. Ook de fans stonden dicht bij alle spelers. Er heerste geen idolatrie, maar een kameraadschappelijke band. Ik was nog maar net op de Club en ik mocht al mee naar supportersavonden. Zoiets had ik nooit op Anderlecht gezien of meegemaakt. Spelers en fans die samen keuvelen en pinten drinken.

Ik heb dat heel snel leren appreciëren. Ik leerde dat ook op deze manier successen gehaald konden worden. Dat was voor mij een totaal nieuw inzicht.

Na een korte periode met Kessler werd Henk Houwaart mijn nieuwe trainer.

Henk heeft twee enorme kwaliteiten. Hij leest ongelooflijk goed een wedstrijd. Met 1 wissel kan hij een wedstrijd doen kantelen. En ten tweede is hij een enorme sfeermaker. Hij kneed een groep spelers tot een sterke groep. Hij was als speler ook al zo. Een levensgenieter, die eenmaal op het veld, transformeerde in een voetbalbeest.

Op het einde van mijn carrière als speler heb ik met Henk nog een paar prachtige jaren meegemaakt. De testmatchen, de bekerfinale tegen Cercle, het kampioenschap in 1988. En dan die ongelooflijke Europese campagne. Een veel mooier sluitstuk had ik niet aan mijn carrière kunnen breien.

Toen ik als speler stopte is er even sprake van geweest dat ik technisch directeur bij Club zou worden. Ik keek daar ook naar uit. Ik had me altijd voorgehouden dat ik nooit trainer zou worden. In mijn carrière als speler had ik gezien hoe een trainer steeds de eindverantwoordelijkheid draagt. Ook al zijn er factoren waar hij helemaal geen vat op heeft. Een functie waar je op langere termijn kan werken was iets wat me perfect leek. Uiteindelijk is die piste niet doorgegaan. Binnen Club was er iemand die mijn verleden bij Anderlecht een probleem vond om zo’n strategische functie op te kunnen nemen.

Via Paul Van Himst ben ik dan toch trainer geworden bij RWDM. Ik wou echt in het voetbalwereldje blijven. Ik zag me niet een gewone 9-to-5 job te doen. Alle respect voor mensen die dat wel doen. Maar als je jaren als voetballer hebt gewerkt, dan leef je op een ander ritme. Ik wou daarin verder gaan.

 

Hoe verliep de overgang naar het trainersschap?

Wel, eerst en vooral moet je kansen krijgen. Dat is niet evident.
En daarna moet je ook het geluk hebben dat je een paar successen boekt.

Als speler had ik de laatste jaren al meer inzicht in wat de trainers gebruikten om een groep te kneden of te focussen. Je ziet dingen gebeuren, je merkt bepaalde effecten op en je begrijpt zo beter hoe een trainer zijn punten overbrengt. Ik heb verder altijd al een goed taktisch inzicht gehad. Dus ik was wel klaar om een groep te leiden. Maar een trainer krijgt heel vaak een bepaald imago mee. En dat wordt snel gevormd. Je moet dus ook het geluk hebben dat je een bepaalde faam kan opbouwen.

Ik heb dat geluk gehad bij Club.

Bij Club was Georges Leekens bezig aan zijn laatste weken. Er was nog niets officieels bekend, maar bij Club wist men dat Georges naar Mechelen zou verhuizen. Ik kreeg van Antoine Van Hove telefoon of ik niet eens langs kon komen. Zo’n kans kan je natuurlijk niet laten liggen. Ik ben er direct ingevlogen en het eerste jaar spelen we meteen kampioen. Er komen dan drie lastige jaren. Anderlecht had toen een enorm sterke ploeg en won alles. Maar in mijn laatste jaren bij Club win ik dan nog een beker en de dubbel.

Zo’n dubbel winnen is echt niet evident. Toen speelde men de bekerfinale nog na de reguliere competitie. Als je dan net kampioen bent geworden, dan volgt een enorme decompressie. Dan een groep terug opladen om nog één keer te vlammen is echt niet vanzelfsprekend. Het is niet toevallig dat zo’n prijs zeldzaam is.

Ik maakte geen onderscheid tussen een speler van 18 jaar of een van 60 jaar, bij wijze van spreken. Was je goed, dan speelde je. Bij een jonge speler moet je enkel opletten dat je hem niet verbrand. Je moet het goede moment kiezen en dan die jongere volop steunen. Ik heb dat zelf ook in het begin van mijn carrière gevoeld bij Kessler. En dat is me heel sterk bijgebleven.

We speelden toen in een duidelijk systeem. Een 4-4-2 met twee echte spitsen. Daar week ik gewoon niet van af. Dat systeem zou nu niet meer werken. Bij Kameroen speel ik bijvoorbeeld in een 4-2-3-1. Ook daar heb ik steeds moeten bijleren en moeten meegaan met de tijd. Maar dat is maar logisch. Iemand die al 30 jaar op een bureau werkt, heeft ook met moderne technologie moeten leren werken. Voor een trainer zijn dat nieuwe taktische plaatjes, data van hartslagmeters en andere biometrische paramters, data over passen en acties, heatmaps, …

Vroeger baseerde je je op wat je zag. Het was vooral natte vingerwerk.

Maar ook de relatie met de spelers is anders geworden. Iedereen doet nu zijn zegje. En elke speler heeft minstens 1 manager die ook zijn belangen heeft. En vergeet ook niet de toegenomen aandacht van de pers. Randzaken worden gemakkelijk groot nieuws. Een beweging op de bank kan een titel worden in de kranten. Een verkeerde blik van een speler wordt plots voorgesteld als een probleem in de kleedkamer.

Als trainer starten is zeker complexer geworden dan toen ik starte.

 

Hugo, hoe kijk je op jouw Clubjaren terug?

Trots. Ik heb nog laat in mijn carrière 5 prachtige jaren bij een topclub gespeeld en daar prijzen mee gepakt. Als coach pakte ik in 6 jaar tijd 2 titels en 2 bekers, waarvan een dubbel. Alles bij elkaar is dat toch een mooie prestatie.

Als je me vraagt welke van de twee, als speler of als trainer, ik het hoogste inschat, dan stel je me een onmogenlijke vraag. Beide zijn even mooi. Er is echter 1 groot verschil. Als trainer ben ik er in geslaagd om individuele prijzen te pakken. Ik ben vier keer tot trainer van het jaar verkozen. Als speler was ik meer een waterdrager en geen vedette.

Evenmin kan ik een bepaalde titel of prestatie als het belangrijkste uitkiezen. Voor mij is het geheel iets waar ik trots op ben. Het is natuurlijk wel zo dat je je de eerste keer dat je iets behaalde beter herinnert. De emoties zijn dan gewoon sterker. De eerste titel halen met Club in 1992. Daar herinner ik me alle details nog van. Ik kan zo die weken naar die titel toe herbeleven. De dubbel in 1996 was dan ook mooi omdat het zo’n unieke prestatie is, en omdat we dat seizoen heel slecht begonnen waren. We lagen er in Europa meteen uit. Anderlecht had toen een heel succesvolle periode en ik was al 5 jaar bij Club. Er is niet veel nodig om dan de kritiek te laten losbartsten. Dat we dat seizoen nog alles recht hebben kunnen trekken is ook iets waar ik trots op ben.

Een ander uniek moment voor mij is de 100 jaar Club-viering.  We speelden toen een galawedstrijd tegen het Barcelona van Johan Cruyff. Samen met deze grootmeester aan de perstafel zitten was een heel mooi moment.

Achteraf gezien ben ik bij al die momenten te weinig blijven stilstaan, heb ik daar op het moment zelf te weinig van genoten. Je leeft gewoon van het ene seizoen naar het volgende. Pas achteraf zie je wat je allemaal gepresteerd hebt en hoe lastig dat eigenlijk wel is. De jaren 70 waar zowel Club als Anderlecht in Europa wonderjaren beleven. Op dat moment lijkt het allemaal gewoon te gebeuren. Maar nu besef je dat dit misschien wel een eenmalige periode is geweest in het Belgische voetbal.

Daarom dat ik nu veel bewuster geniet van mijn succes met Kameroen.

 

Volg je Club nu nog?

Jazeker. Ik heb een abonnement op Club. Ik heb mijn vaste plek naast mijn oude maatje Jos Volders. In deze PO1 zal ik maar 1 match missen.

In de tribune ben ik in de eerste plaats een echte supporter. Ik heb mijn mening en ik zal die ook wel laten blijken. Maar ik ben daar geen analist of een commentator. Ik kan me dus even goed wel eens kwaad maken of uit de bol gaan.

Club heeft zo’n ongelooflijke supporters. Die mensen zijn zó begaan met hun ploeg.

Ze hebben zo lang moeten wachten op een titel. Veel te lang. Club zou eigenlijk om de drie of vier jaar een titel moeten pakken. Of meer zelfs. Er zijn in het verleden toch fouten gemaakt. Als je ziet hoe veel trainers er gepasseerd zijn. Men was zoekende.

 

Kunnen we je ondertussen een Bruggeling noemen?

Ondertussen voel ik me hier perfect thuis in West-Vlaanderen, in het Brugse. Toen ik naar Club kwam zie mijn neef me nog “Jij gaat nooit nog terugkomen naar het Leuvensen”. Ik lachte dat toen weg. Maar kijk … Bij elk familiefeest komt die neef nog eens vragen of ik binnenkort terug kom (lacht). Hij had gelijk. Ik ben hier perfect gelukkig.