Gevreesd werd dat de opvolging van de Wiener  moeilijk zou uitvallen. Buiten alle verwachting viel het eerste seizoen mee. De ex-Ajax oefenmeester Han Grijzenhout die zijn strepen verdiend had bij buur Cercle werd aangeworven en Club werd al meteen kampioen. Dit bleek evenwel maar een overblijfsel van wat Happel had nagelaten en in het tweede seizoen werd de Nederlander al voortijdig vervangen door Gilbert Gress. Dit voormalig Frans “enfant terrible” verwekte in Brugge de indruk met zijn gedachten meer bij de zuiderburen te zitten.

Het liep verkeerd, ook na Gress. Het volgende seizoen was het een  komen en gaan van trainers. De bekende Luxemburger Spitz Kohn had huiselijke moeilijkheden met als gevolg  dat het na vier maanden al voorbij was. De nog meer befaamde Belg Rik Coppens volgde hem op. Zo frivool en los hij vroeger als speler was, zo bedacht en voorzichtig was hij als trainer. Hij voelde zich niet in zijn sas in Brugge en verzocht zelf om van zijn taak ontheven te worden. Het was tenslotte hulptrainer Raymond Mertens die met een 14e plaats de degradatie op het nippertje wist te ontspringen.

Men zocht soelaas en vond dit in de persoon van Georg Kessler, een Duitser met naam en faam die al meerdere bekende ploegen met voldoening had geleid. Hij was de man van de puike organisatie en discipline die Club uit het dal hielp met 5e en 3e plaatsen in de rangschikking. Kessler, een persoonlijkheid van het zuiverste water, was een begenadigd spreker. Motiveren van zijn spelers was voor hem maar een klein kunstje.

Zijn biotoop leek te liggen in de “beau monde” en met zijn ingeboren diplomatie had hij evengoed kunnen schitteren in de politiek. Dankbaar omdat hij de Brugse vereniging opnieuw naar de hogere regionen in de rangschikking had geleid, werd hij bij zijn afscheid erelid van de blauwzwarte vereniging.

KesslerAfscheid

(André Piccu)