VOETBAL OP STERVEN NA DOOD

Gedurende de tweede wereldoorlog hadden de voetballiefhebbers andere zorgen aan het hoofd. De in het leven geroepen noodcompetitie wekte weinig belangstelling. De voetbal was werkelijk op sterven na dood. De normale competitie hervatte met het seizoen 1945/46 en voor RFC Brugeois betekende dit dat men aantrad in de tweede nationale afdeling.

Hernemen na de oorlog was niet gemakkelijk. De activiteiten hadden een vijftal jaren bijna compleet stil gelegen. De besturen waren leeggelopen en volledig ontregeld. Alles moest van nul starten. De clubs die zich in de kortste tijd in de vereiste plooi werkten, waren ook die verenigingen die het vroegst succes kenden. Club was onmiddellijk bij de pinken en de ploeg promoveerde direct naar de hoogste afdeling.

De jeugdvoetballerij was nog het meest getroffen door de oorlog. De clubs bezaten weinig of geen jeugdspelers meer. De jeugdopleiding had in België voor de tweede wereldoorlog eigenlijk niet veel betekend. Club zette wel de poorten open op bepaalde dagen maar dit trok enkel de jongens aan van St-Andries en West-Brugge. Gezien alles te voet moest verkozen de meeste jongeren voor geïmproviseerde wijkmatchjes dichter bij huis, zoals op het oefenveld van de militairen (nu Carrefour St-Kruis), het “wit-zand” (nu kerk Assumpta Assebroek) of de spoorwegberm in St-Michiels (nu verlengde nieuw station). Daar daagden dan ook de bestuursleden op van Club en Cercle op om de meest getalenteerde spelertjes te vragen een aansluitingskaart te tekenen in ruil voor een paar voetbalschoenen.

EEN DUIVELS DYNAMISCH JEUGDCOMITE

Bij het heropnemen van de activiteiten had Club een schitterend idee.Langs de toen bestaande weekbladen “Het Woensdagblad” en “Het Burgerwelzijn” lanceerde Club een oproep voor het aanwerven van ploegafgevaardigden. Eén scholieren- en één kadettenploeg waren alles wat Clubop dat moment aan jeugdspelers bezat.

Enkel twee groepjes van drie man gaven gevolg aan deze oproep en kwamen opdagen in het café van Louis Versyp in de Smedenstraat. Het waren enerzijds Julien Smessaert en André Claeys (beiden Brouwerij Aigle-Belgica) en zelfstandig boekhouder Fernand Cleaeys en anderzijds oud-jeugdspeler Fernand Devooght met zijn kapper Lucien Van de Water en ikzelf (André Piccu).

Dit nieuw jeugdcomité ondervond onmiddellijk dat wat betreft organisatie veel werk op de plank stond. Getuige hiervan de eerste uitmatch met de scholieren naar Knokke. Verplaatsing met de tram tot aan de halte “Café Far West”. Dan nog een ferm eind te voet met pak en zak. Spelen deden we in een weide waarop de koeien een uur voordien nog aan het grazen waren geweest, met alle nare gevolgen vandien. De jeugdspelers wasten zich nog in waterkommen en aan de rust kregen ze enkel een stukje citroen om de dorst te lessen.

Maar ondanks de moeilijke omstandigheden was de motivatie en werkkracht van dit jeugdcomité enorm. Ze waren zeer veel op de Klokke en het regende nota’s met voorstellen tot verbetering van het jeugdbeleid naar het verantwoordelijke centraal comité. Initiatieven werden genomen en dat loonde.

Met toestemming van de hoofdleiding stichtte het Jeugdcomité in samenwerking met zeven harde supporters uit het café van Versyp de in 1945 de Supportersfederatie “Blauw-Zwart”. Dit samengaan werkte goed. Als de jeugdafdeling iets inrichtte had het de volle medewerking van de supportersfederatie en andersom idem.

Op die manier kwamen winstgevende organisaties tot stand die, na de doffe oorlogsperiode, veel belangstelling wekten. Een 10-tal dansavonden in de foyer van de stadsschouwburg, de operette Maritza in de stadsschouwburg, een tuinfeest in de Cosy-Corner te St-Andries , een tweedaagse fancy-fair in de stadshallen. Ook werd met het risico van financieel verlies een internationale match georganiseerd tussen de befaamde Franse gastploeg Stade Français met vedette Ben Barek tegen een Vlaamse selectie.

img_4274

De meest beklijvende verwezenlijking van deze supportersfederatie was evenwel het uitgeven van een eigen clubblad “Blauw-Zwart” (in 1946 verscheen het eerste nummer) dat meer dan 50 jaar bestaan heeft met André Derre als hoofdopsteller. Ik schreef er geregeld artikels voor. “Blauw-Zwart” werd later het officieel Cluborgaan.

Jubileum-editie van het magazine Blauw-Zwart. Deze keer niet in de typische blauwe krantvorm, maar als een magazine.

Jubileum-editie van het magazine Blauw-Zwart. Deze keer niet in de typische blauwe krantvorm, maar als een magazine.

In juni werden dagelijks wervingstornooien opgezet en deze lokten tot 1000 man naar de Klokke. Er namen iedere keer meer dan zestig wijkploegen deel. De meest voetballustige jongeren die hierin optraden onderschreven spontaan een lidkaart, waaronder elementen (zoals de vier gebroeders Somers) die een paar jaar later in de eerste ploeg speelden.

Aan deze enorme ledenwerving was het te danken dat Club na de bevrijding een ernstige voorsprong nam op de andere verenigingen die veel later in gang waren geschoten.

De Clubleiding voelde aan dat het succes van het jeugdcomité hun eigen uitstraling naar de aanhang toe beschadigde en vond er niets beter op dan het drietal dat als de motor van het jeugdcomité werd aanzien in 1946 op te nemen in het centraal comité. Julien Smessaert als lid van de Public Relations, André Claeys als afgevaardigde van het reserve-elftal en ikzelf als adjunct secretaris en secretaris van het sportcomité, met behoud van de functies bij de supportersfederatie Blauw-Zwart.

André Piccu