We kunnen ons een shirt zonder rugnummer niet meer voorstellen. Sommige nummers zijn iconische geworden. De “14” van Cruyff, de “10” als spelbepalende figuur. Sommige nummers kregen een extra betekenis. Niemand speelt bij Club met nummer 12 (het nummer van de fans) of met nummer 23 (het nummer van François Sterchele). En de tijd dat het nummer beperkt bleef tot het aantal spelers in de kern, is ook al oude geschiedenis. Een 99 doet niemand nog opschrikken

In de jaren 20 waren er hier en daar al kleinere experimenten, maar deze sloegen niet aan. De rugnummers werden in 1933 voor het eerst bij een grote wedstrijd geïntroduceerd. In de FA Cup Final tussen Everton en Manchester City, werden twee setjes shirts gemaakt. Een witte set en een rode set. Op de ene set kwamen de nummers 1-11 en op de andere de nummer 12-22. Een toss besliste welke ploeg met welke set zou spelen. De nummers werden dus niet op de normale clubshirts aangebracht.

Pas rond WO 2 werd het dragen van rugnummers standaard. Men gebruikte de nummers 1 tot 11. Er was geen specifieke afspraak rond wie welk nummer diende te dragen, maar al snel werd elk nummer geassocieerd met een positie op het veld. Zo was het nummer 9 dat van de belangrijkste aanvaller.

Opvallend is dat Celtic Glasgow de nummers op de broek droeg en niet op het shirt zelf. Dit bleven ze doen tot in 1975 voor internationale matchen en tot in 1994 voor wedstrijden in de Schotse competitie.

Bij de oprichting van de FA Premier League in 1993-94 mogen spelers voortaan hun nummers zelf kiezen. Er werd afgestapt van de 1-11 nummering. De UEFA nam de regel over en tijdens Europese wedstrijden behielden spelers dus hun nummer die ze vooraf gekozen hadden.