De ‘supporter’ is tijdens het 125 jarig bestaan van Club erg veranderd, zowel in aantallen als in karakter, uitzicht en afkomst. Toch zijn er een aantal parallellen te trekken, die toch telkens weer naar voor komen.

In de absolute beginperiode vroeg Club geen toegangsgeld om een wedstrijd bij te wonen. De terreinen waarop men speelde waren niet omheind en dus was het onmogelijk toegangsgeld te vragen. Meestal moest men nog eerst de koeien van de wei jagen, voor de match kon beginnen. Dat veranderde toen FC Brugeois in 1895 naar het rattenplein verhuisde en meer matchen begon te spelen. Eind 19de eeuw was naar het voetbal gaan kijken eerder een bezigheid voor de bourgeoisie en hogere middenklassen. De heren van stand kwamen in hun zondags kostuum zich vermaken met het bijwonen van de wedstrijden.

Rattenplein
Toch had Club rond de eeuwwisseling al vrij veel aantrek onder de arbeidersklassen. Men creëerde een afgesloten vak achter het doel waar tegen meer democratische prijzen de match kon worden bijgewoond: de populaires. Die waren afgescheiden achter prikkeldraad zodat het gepeupel zich niet kon mengen met de deftige mensen. Naarmate de populariteit van het voetbal toenam, onder andere door de verplichte zondagsrust in 1905 en de veelvuldige reclame die Club maakte voor zijn matchen, stegen de prijzen voor de wedstrijden en kwamen er ook meer prijscategorieën.

De populaires kunnen gezien worden als de oudste variant van de spionkop, niet alleen door hun positie achter het doel maar ook door het lawaai dat ze maakten. Vaak bleef het niet bij lawaai, want geregeld braken er rellen uit en vaak moest het bestuur een soort stewards inzetten om de mensen te bedaren. De katholieke, dus Cercle-gezinde, kranten spraken smalend over het krapuul van Sint Andries. Toen al bestond de mythe dat in de stad de mensen eerder voor Cercle zijn. Blauwzwart deed anders wel erg zijn best om supporters van buiten de stad aan te trekken! Ze maakten reclame voor hun wedstrijden in Oostende, Roeselare, Torhout en zelfs tot in Zeeuws Vlaanderen. Club trok ook spelers aan van buiten de stad en lokte zo ook mensen uit die andere gemeenten mee. Ook dat is een constante doorheen de geschiedenis van Club geweest.

club_brugge_bijlage_3_8
Dit laatste zien we ook weerspiegeld in de supportersclubs. In 1913 werd de eerste supportersclub opgericht door Louis Van Belle, een bestuurslid van Club en schoonbroer van Charles Cambier, één van de sterkhouders van de vooroorlogse periode. De eerste daad van betekenis van die supportersclub was de creatie van het abonnement! Na de Eerste Wereldoorlog kwamen er steeds meer van die supportersclubs bij waaronder zelfs één in Brussel: Les Joyeux Clubmen de Bruxelles! De clubs hadden elk een eigen vlag en voor de wedstrijden liepen ze met de fanfare een rondje rond het veld. Studax, de studentensupportersclub, had zelfs een eigen voetbalploeg die in 3de klasse uitkwam. Soms werden de club gevraagd financieel bij te springen als FCB in de problemen kwam. Ze organiseerden feesten en benefieten. Ook waren ze betrokken bij de opvang van de bezoekende supporters! Die kwamen meestal met de trein aan op zondagmorgen en werden daarna vergezeld naar de cafés van de stad. Soms kwamen de bezoekers al aan op zaterdagavond! Men organiseerde dan vaak een bal waarop de supportersclans verbroederden. Vooral Standard Luik bracht vaak een grote schare mee, soms tot 500 man. Na de Tweede Wereldoorlog werden er nieuwe clubs opgericht en sommigen publiceerden een eigen krantje zoals Club Sport of Blauw Zwart. Het spreekt vanzelf dat de supportersclubs eveneens de verplaatsingen van het eigen blauwzwarte volk regelden. Ook hier zien we terug parallellen met de situatie van nu.

Op verplaatsing meegaan als supporter bestaat dus al heel lang, van voor de Eerste Wereldoorlog. Aanvankelijk had dat een zeer praktische reden. Verplaatsingen waren voor de Club en zijn spelers erg duur. Brugge – Brussel heen en terug kostte in die tijd 6 frank per ticket, een gewone arbeider moest 2 dagen werken om dit bij elkaar te krijgen. Als men per groep reisde, dus met minimum 20 reizigers, kon men aan de helft van de prijs de verplaatsing maken. De ploeg plus reservespelers waren niet voldoende, dus probeerde men telkens supporters op te trommelen om mee te gaan om zo de prijs te drukken. Voor die toeschouwers was dat overigens ook een interessant systeem, zo konden ze goedkoper reizen en ze maakten van de gelegenheid gebruik om bvb Brussel te bezoeken. Op 14 februari 1904 moest Club de derby tegen Cercle spelen op neutraal terrein in Brussel, een straf die was opgelegd na een aantal incidenten in de voorgaande maanden. Om toch nog van zijn supporterssteun te kunnen genieten organiseerde Club een kleine volksverhuizing: zo’n 600 toeschouwers maakten de verplaatsing naar de hoofdstad en zagen Club zegevieren met 4-2. Na de Eerste Wereldoorlog werd een treinrit een stuk democratischer en zo zag men het aantal meereizende supporters sterk stijgen.